Geo-Lexicon

Cabochon
Een ronde (=zonder facetten) slijpvorm voor een edelsteen.

Callus
Calcietlaag die slakken soms op de buitenzijde van de schelp afzetten, ook eelt genoemd.

Capitulum
Bij eendemossels; met skeletplaten verstevigd 'kopgedeelte' dat de voedselvergarende aanhangsels beschermt.

Carapax
Bij vertebraten rugschild; bij kreeftachtigen en Chelicerata het rugschild van het kop- en borststuk.

Cementatielaag
Laag die verrijkt is met ertsafzettingen.

Cephalon
Het kopgedeelte van een trilobiet.

Cephalopode (koppotige)
Ongewerveld dier uit de klasse der Cephalopoda, met goed te onderscheiden kop, ogen en met tentakels rond de bek. Voorbeeld: fossiele ammonieten en de tegenwoordig voorkomende octopus.

Cephalothorax
Vergroeid kop- en borstschild bij geleedpotigen.

Cerci
Staartdraden met tastzintuigen bij geleedpotigen.

Chatoyantie, of katoogeffect
Een optisch verschijnsel, waardoor een rechte streep in een edelsteen zichtbaar is.

Cheliceren
De bijtende mondaanhangsels bij spinachtigen.

Chevron-beenderen
Een paar beenderen, vaak in een Y-vorm vergroeid, die onder de staartwervels bevestigd zijn.

Chitine
Hoornachtige substantie waaruit het skelet van geleedpotigen geheel of deels bestaat.

Chorda Dorsalis
(notochord), bij vissen boven de ruggemergstreng gelegen staafvormige, gelatineuze massa met stevige membraan, die zich over de hele lengte van het dier uitstrekt en steun geeft weke delen en aanhechtingsmogelijkheid biedt aan de spieren.

Chloroplast
Kleine organellen met chlorophyl, die betrokken zijn bij fotosynthese van planten.

Chordata
Lid van de stam der Chordata, waaronder alle dieren vallen met in een bepaald stadium van hun ontwikkeling een skeletachtige streng, de notochorda.

Ciliën
Dunne draadachtige uitsteeksels van de celwand.

Cirri
Staafvormige aanhangsels bij bepaalde dieren; de gepaarde aanhangsels van het borststuk bij zeepokken.

Coelenteraten (holtedieren)
Ongewerveld dier, lid van de stam der Coelenterata, dieren met een veelstralige symmetrie. Voorbeeld: zeeanemoon, kwal en koralen.

Columella
De centrale zuilstructuur in de gespiraliseerde schelp van een slak; de centrale zuil in de theca van koralen.

Columnalia
Stengelleedjes van zeelelies.

Commissuur
Raaklijn waarlangs de kleppen op elkaar vallen bij tweekleppigen en brachiopoden.

Compressiefossiel
Fossiele plant (of plantedeel) dat is platgedrukt en waarvan de organische stof grotendeels of geheel is veranderd in koolstof (inkoling/verkoling).

Concretie
Een bolvormige of schijfvormige massa in sedimentgesteente, dat gevormd wordt door een plaatselijke samenklontering van de aanwezige mineralen.

Condensor
Bepaalde op- en instelling van de lenzen in de microscoop waardoor de lichtstralen geconcentreerd worden.

Conglomeraat
Samengesteld gesteentemateriaal uit aaneengekitte, afgeronde steentjes.

Continentaal plat
Deel van het continent dat tot een diepte van 200 meter beneden de zeespiegel ligt.

Coprolieten
Fossiele uitwerpselen (excrementen).

Cornua
Een hoornachtige structuur bij vissen.

Covalente binding
Een atoombinding, door het samen delen van elektronen dichroïsme - zie pleochroïsme.

Coxa
Basale geleding van een poot, scharnierend met het lijf bij geleedpotigen.

Cuticula
De verharde oppervlaktelaag van het uitwendig skelet bij geleedpotigen.

Cyanobacterie
Prokaryote blauwgroene algen met fotosynthese, betrokken bij de formatie van stromatolieten.

Cyste
Dikwandige resistente plantecel.