Deze website maakt gebruik van cookies.

Geo-Lexicon

Macroconch
De grootste van de twee schelpen bij ammonieten met geslachtsdimorfie, naar men aanneemt de vrouwelijke schelp.

Mandibula
Bij gewervelde dieren de onderkaak; bij geleedpotige dieren de mondaanhangsels die voedsel vasthouden of afbijten.

Magma
1. Gloeiend vloeibaar materiaal dat beneden de aardkorst wordt gevormd.
2. Gloeiendhete, gesmolten massa van silicaten dat steeds minder vluchtige bestanddelen bevat.

Magmatisme
Veranderingsprocessen die zich afspelen op verschillende diepten, onder verschillende druk en bij verschillende temperaturen (en die vergezeld gaan van chemische processen).

Mantel
De buitenwand van het lijf die de schelp afscheidt bij bepaalde ongewervelde dieren.

Mantelholte
De holle ruimte tussen de mantel en de rest van het lijf bij tweekleppigen en cephalopoden.

Mantellijn
Bij tweekleppigen de lijn die aan de binnenzijde van de klep parallel loopt met de kleprand en is veroorzaakt door de aanhechting van de mantel.

Matrix, of moedergesteente
Het materiaal waarop een organisme is terechtgekomen of is ingebed.

Mediaan
In het vlak gelegen dat het dier verdeelt in twee helften, die elkaars spiegelbeeld zijn.

Meiose
Proces van celdeling bij de productie van eieren en zaden bij de voortplanting, door middel van het opsplitsen van de oudercel in vier dochtercellen met kernen, waarin de helft zit van het aantal chromosomen in de oudercel.

Melafier
Paleovulkanisch eruptief gesteente dat wat de samenstelling betreft overeenkomt met gabbro.

Mergel
Fijnkorrelige kalk met klei.

Mesoplastron
Een van een paar beenplaten van het buikschild van schildpadden, tussen het hyoplastron en hypoplastron in.

Mesozoïcum
De derde era in de geschiedenis van de Aarde, van 230 tot 65 miljoen jaar geleden.

Metamorf gesteente
Sediment- of stollingsgesteente dat door temperatuur- en/of drukverhoging van samenstelling en structuur is veranderd.

Metamorfose
De verandering in de structuur van een organisme tijdens / na diens ontwikkeling.

Metamicte mineralen
Mineralen die met behoud van hun uiterlijke kristallijne vorm overgaan in een toestand die lijkt op die van vaste colloiden. Metamicte ontleding neemt men waar bij mineralen die radioactieve elementen (vooral U en Th) bevatten.

Metatarsalia
Voetwortelbeentjes; beentjes van de enkel.

Microconch
De kleinste van de twee schelpen bij ammonieten met geslachtsdimorfie, naar men aanneemt de mannelijke schelp.

Microsculptuur
De kleinere sierelementen op schelpen, kalkschalen en beenplaten.

Mitochondria
Kleine organellen in diercellen die betrokken zijn bij de productie van suikers, die in energie worden omgezet.

Mitosea
Proces van celdeling bij a-seksuele voortplanting, waarbij de oudercel zich opsplitst in twee dochtercellen met kernen, waarin hetzelfde aantal chromosomen zit als in de oudercel.

Mol, of grammolecule
Het gewicht van een stof dat, wanneer uitgedrukt in grammen, gelijk is aan het moleculair gewicht; een mol koolstof (moleculair gewicht 12) weegt 12 gram.

Molaar
Ware kies bij zoogdieren; deze onderscheidt zich van de premolaar doordat hij ontbreekt in het melkgebit en doordat hij meestal groter is en een beter ontwikkelde kroon heeft dan de premolaar.

Mondopening
De opening die bij weekdieren wordt gevormd door de rand van de schelp.

Monochromatisch licht
Licht van slechts één golflengte (dit is het licht van één enkele, zuivere kleur).

Monticulus
Heuveltje aan het oppervlak van een mosdiertjeskolonie.

Morfologie
De structuur en vorm van planten en dieren.

Mudstone
Silt-kleigesteente met weinig of geen zandkorrels.