Geo-Lexicon

Paleolithicum (oude steentijd)
Deel van het Pleistoceen, waarin de mens voor het eerst stenen gebruiksvoorwerpen maakt.

Paleovulkanisch gesteenten
Eruptief gesteente dat voor het Tertiair gevormd is.

Paleozoïcum
De tweede era in de geschiedenis van de Aarde, van 600 tot 230 miljoen jaar geleden.

Paletten
De hulpklepjes waarmee bepaalde tweekleppigen hun boorgang aan de bovenzijde kunnen afsluiten.

Paragenese
Het naast elkaar voorkomen van mineralen die in de loop van eenzelfde kristallisatieproces ontstaan zijn.

Parelmoer
Dungelaagde vorm van calcium-carbonaat (aragoniet), afgescheiden door de mantel bij weekdieren.

Parelmoerlaag
De binnenste laag van parelmoer van de schelpwand bij weekdieren.

Pedipalpen
Eerste gepaarde aanhangsels achter de mondopening bij Chelicerata.

Pedunculus
Steel die het grootste deel van het lichaam draagt bij bepaalde ongewervelde dieren.

Peridotieten
Groep van ultrabasische gesteenten waarin olivijn overheerst.

Periostracum
Buitenste laag van de schelpwand, bestaande uit hoornachtig materiaal.

Permafrost
Permanent bevroren bodemlaag.

Phragmocoon
Het gekamerde deel van de schelp van cephalopoden, dat door septa in kamers is ingedeeld en waar de sipho doorheen loopt.

Picriet
Ultrabasisch gesteente dat voornamelijk uit olivijn, augiet en ambifool bestaat.

Pinakoïed
Een stel evenwijdige kristalvlakken, onderscheiden als: basaal-pinakoïed als de vlakken loodrecht op de verticale kristallografische as staan; brachypinakoïed als de vlakken evenwijdig aan de kortste horizontale as lopen; macropinakoïed als de vlakken evenwijdig aan de langste horizontale as lopen.

Pinnula
Zijtakje aan de arm van zeelelies.

Piezo-elektrisch
Die onder druk een elektrische lading heeft.

Plaatselijk optredend
Slechts aangetroffen op een aantal specifieke plaatsen.

Plankton
Levende planten of dieren die niet of nauwelijks kunnen zwemmen en in het water zweven of drijven.

Planspiraal
In één vlak gespiraliseerd, bij schelpen van Gastropoda en Cephalopoda.

Plastron
Het buikschild van schildpadden.

Plia
Een plooivormige welving midden over de armklep van brachiopode gaat vaak samen met een sulcus op de steelklep.

Pleochroïsme
Het verschijnsel dat men verschillende kleuren ziet als men vanuit verschillende richtingen een kristal waarneemt; kristallen die niet meer dan 2 verschillende kleuren vertonen noemt men dichroïsch.

Pleotelson
Bij kreeftachtigen en Chelicerata de tot een waaiervorm vergroeide staart en achterlijfsaanhangsels.

Pleura
Zijwand van een lichaamssegment bij geleedpotige dieren.

Pleurale lobben
De naast de centrale as gelegen lobben bij trilobieten.

Pleurale stekel
Stekel aan de zijkant van de segmenten van de pleurale lobben bij trilobieten.

Pneumatolyse
Vorming van mineralen onder invloed van oververhitte stoom en vluchtige stoffen die uit magma ontsnappen.

Podia
Uitstulpbare voetjes van het watervaatstelsel bij stekelhuidigen.

Poliep
Een levend koraalindividu.

Polymorf
Een soort met meer dan een vorm.

Polymorfie
Eigenschap van een bepaalde stof om verschillende kristallijne vormen aan te nemen.

Porfier
Een stollingsgesteente, waarin -tegen een fijner korrelige achtergrond- relatief grote kristallen voorkomen die men fenokristen noemt.

Porseleinlaag
De buitenste schelplaag van cephalopoden, bestaande uit aragoniet met een organische bijmenging.

Premolaar
Valse kies bij zoogdieren, voor de molaren gelegen.

Presacrale wervels
Deel van de wervelkolom gelegen aan de voorzijde van de bekkengordel.

Prisma
In de kristallografie een open kristalvorm, waarbij de scheidingslijnen tussen de vlakken evenwijdig aan elkaar lopen.

Prismalaag
De middelste van de drie lagen waaruit een schelpwand bestaat, opgebouwd uit rechte of schuinstaande calcietprisma's.

Proboscis
Bij zoogdieren een buigzame, verlengde snuit; bij slakken de uitstulpbare mondbuis.

Prokaryote
Organisme met cellen zonder een duidelijke kern. Voorbeeld: blauwgroene algen en bacteriën.

Pronotum
Het halsschild, eerste dorsale schild van de romp bij insekten.

Propaar
Verwijst naar een gezichtsnaad bij trilobieten die de wang snijdt voor de genale hoek, in de zijrand.

Proximaal
Het dichtst bij.

Pseudomorf
Een kristallijne stof die de vorm van een ander kristal of lichaam heeft aangenomen, waar het het heeft vervangen; bijv. geopaliseerde schelp.

Pseudomorfosen
Kristallijne vormen van mineralen waarbij de oorspronkelijke materie door een andere is vervangen.

Pseudopelagisch
Verwijst naar de leefwijze van organismen, die vastgehecht aan drijvende voorwerpen in de zee leven.

Pygidium
Staartstuk van een trilobiet.

Pyriet
Goudkleurig mineraal, opgebouwd uit ijzersulfide.

Pyro-elektrisch
Die bij verhitting elektrisch geladen blijkt.